Naar hoofdinhoud
Microlearning: de basis

6. Van onderwerp naar een complete learning

Een voorbeeld dat je kunt aanpassen voor je eigen dienst of organisatie.

Geschreven door Martijn

Laatst bijgewerkt Ongeveer 2 uur geleden

Hoe ziet zo'n korte learning er van begin tot eind uit? Hieronder werken we één voorbeeld uit. Het gaat over duidelijk doorgeven wat je weet en wat nog niet zeker is.

Dat onderwerp past bij een overdracht, briefing of oefenbespreking binnen verschillende diensten. Het voorbeeld is verzonnen. De eigen vakinhoudelijke afspraken blijven leidend.

Collega’s bespreken waarnemingen bij een fictieve oefenlocatie.
Illustratie: THISLINE, gemaakt met AI.

Dit is één mogelijke toepassing

Dit voorbeeld laat oefenen met een afweging zien. Je hoeft niet iedere learning zo op te bouwen. Bij een procedurewijziging staat het verschil tussen oud en nieuw centraal. Bij een voorbereiding haal je voorkennis op. Bij activatie werk je toe naar een gerichte vervolgstap. Die opbouwen staan bij de toepassingen.

Eerst het plan

Voor wie? Collega's die tijdens een oefening of in het werk informatie aan anderen doorgeven.

Wat wil je leren? Een collega kan in een korte boodschap een eigen waarneming onderscheiden van een onbevestigde conclusie.

Hoe oefen je dat? Eerst een boodschap beoordelen, daarna zelf een andere boodschap verbeteren.

Wat hoort er niet bij? Beslissen over de inzet of het volgen van een specifiek overdrachtsprotocol. Daarvoor gebruik je de werkwijze en scholing van de organisatie.

Kaart 1: begin herkenbaar

‘Je geeft iets door aan een collega. Wat heb je zelf gezien? Wat heb je van iemand gehoord? En wat denk je dat er aan de hand is? Als dat door elkaar loopt, kan de ander een ander beeld krijgen dan jij bedoelt.’

De eerste kaart maakt duidelijk waarom het onderwerp relevant is. Je hoeft nog geen theorie uit te leggen.

Kaart 2: laat eerst zelf nadenken

‘Een collega zegt na een oefening: “Er kwamen twee mensen naar buiten, dus het gebouw is leeg.” Wat heeft die zelf gezien? Wat is een conclusie?’

Laat de deelnemer eerst zelf antwoorden, voordat de volgende kaart de uitleg geeft.

Kaart 3: leg het verschil uit

‘Twee personen naar buiten zien komen is een waarneming. Dat het gebouw leeg is, volgt daar niet uit. Je kunt zeggen: “Ik zag twee personen naar buiten komen. Of er nog iemand binnen is, weet ik niet.”’

Je geeft één korte uitleg en laat meteen zien hoe je die in een boodschap gebruikt.

Kaart 4: oefen een keuze

‘Tijdens een oefening blijkt dat een afgesproken controle nog niet is uitgevoerd. Welke boodschap is duidelijker?’

  • A. ‘De controle staat gepland. Het zal wel in orde zijn.’
  • B. ‘De controle is nog niet uitgevoerd. De uitkomst is dus nog niet bekend.’
  • C. ‘De controle is nog niet uitgevoerd. Er zal daarom wel iets mis zijn.’

Laat één antwoord kiezen. B benoemt de bekende stand van zaken en de onzekerheid. A en C trekken al een conclusie over de uitkomst.

Kaart 5: leg het antwoord uit

‘B maakt duidelijk wat wel en niet bekend is. Een geplande controle is nog geen uitgevoerde controle. En zolang de uitkomst onbekend is, kun je daar niet uit afleiden dat het goed of fout zit.’

De uitleg gaat over het verschil dat je wilt leren. Er komt geen nieuw zijonderwerp bij.

Kaart 6: laat zelf formuleren

‘Je leest in een oefenverslag: “Niemand reageerde op het bericht. Dus iedereen is akkoord.” Wat zou jij schrijven als alleen bekend is dat er nog geen reactie is?’

Laat eerst een eigen zin maken. Een passende uitwerking is: ‘Er is nog geen reactie op het bericht. Of iedereen akkoord is, is niet bekend.’

Andere woorden mogen ook. Het gaat erom dat geen reactie niet als bevestiging wordt gepresenteerd.

Kaart 7: sluit af met een toepassing

‘Let bij de volgende oefenbespreking op één boodschap: wat is waargenomen, wat is doorgegeven door een ander en wat is nog een vermoeden? Bespreek hoe je dat duidelijker kunt vertellen.’

Kies daarnaast een later moment waarop je een nieuwe korte vraag stelt. Zo blijft het onderwerp niet bij deze ene learning.

Waarom deze opbouw?

Je collega krijgt uitleg, ziet een voorbeeld en gaat daarna zelf oefenen. Dat sluit aan bij de IES-praktijkgids. Nieuwe situaties en verklarende feedback sluiten aan bij onderzoek naar het toepassen van geleerde kennis (Pashler et al., 2007; Butler, 2010; Butler et al., 2013).

Zeven kaarten is hier een keuze, geen vaste norm. Laat een paar collega's de learning proberen. Meet ook de denktijd en het lezen van de uitleg voordat je zegt dat het binnen vijf minuten past.

Bronnen

Butler, A. C. (2010). Repeated testing produces superior transfer of learning relative to repeated studying. Journal of Experimental Psychology: Learning, Memory, and Cognition, 36(5), 1118-1133. https://doi.org/10.1037/a0019902

Butler, A. C., Godbole, N., & Marsh, E. J. (2013). Explanation feedback is better than correct answer feedback for promoting transfer of learning. Journal of Educational Psychology, 105(2), 290-298. https://doi.org/10.1037/a0031026

Pashler, H., Bain, P. M., Bottge, B. A., Graesser, A., Koedinger, K., McDaniel, M., & Metcalfe, J. (2007). Organizing instruction and study to improve student learning (NCER 2007-2004). National Center for Education Research, Institute of Education Sciences. https://ies.ed.gov/ncee/wwc/PracticeGuide/1